I - PERFECTE PLEK

Lang, héél lang geleden bestond er een wereld die totaal niet op de onze leek. Er waren geen steden. Geen hoge torens die probeerden de wolken te kietelen. Alleen een eindeloze grasvlakte, zo groot dat zelfs de horizon er moe van werd.

Dwars door dat gras liep een tovenaar.

Zijn naam was Abrin.

Hij kwam uit de beroemde Heauten-stamboom: een familie vol machtige tovenaars met uitzonderlijke krachten. Eeuwenlang hadden zij geholpen om de mooiste en meest magische verhalen te laten ontstaan.

Abrin was de laatste van zijn soort.

En hoewel hij al ruim driehonderd jaar oud was, vond niemand dat vreemd. Voor een tovenaar was hij zelfs nog behoorlijk jong.

Maar één ding stond vast: binnen zijn kringen werd hij gezien als een van de machtigste tovenaars die ooit had geleefd.

Alle Heauten vóór hem hadden hun magie ingezet voor koninkrijken. Ze dienden koningen, beschermden landen en voerden opdrachten uit. Maar Abrin? Die wilde iets heel anders.

Hij wilde geen dienaar zijn.

Hij wilde avontuur.

Abrin droomde van een plek die helemaal van hemzelf was. Een plek waar hij kon bepalen hoe alles eruitzag. Waar hij zijn magie los kon laten om verhalen tot leven te wekken.

Grootse verhalen. Spannende verhalen. Verhalen die je niet meer loslieten. Alles moest mogelijk zijn. Niets mocht te gek klinken.

En nu… nu had hij die plek gevonden.

Oude man met lange grijze baard en haar, gekleed in middeleeuwse kleren en een cape, wandelend door een vlak landschap met heuvels op de achtergrond, terwijl hij een toverstok vasthoudt met een gloeiend kristal aan de top.

Abrin bleef abrupt staan.

Met zijn linkerhand – de hand zonder toverstaf – greep hij in het kleine tasje onder zijn azuurblauwe mantel. Hij haalde er een glazen bol uit. Het ding paste precies in zijn handpalm.

Op het eerste gezicht leek het een doodnormale bol. Doorzichtig. Stil. Levenloos.

Tot Abrin er zachtjes tegen fluisterde.

‘Ik heb al mijn krachten nodig,’ zei hij. ‘Schenk mij wat ik zoek.’

Binnen in de bol verscheen een dun sliertje witte rook. Het werd dikker. Groter. Al snel vulde het de hele bol en begon het langzaam rond te draaien, in kleine cirkels langs het glas.

Abrin hield de bol voor zich uit en keek scherp toe.

Hij wachtte.

Pas toen de rook stopte met draaien en stil bleef hangen, kneep hij zijn vingers om het glas en sloot zijn ogen.

‘Mijn wijze glazen bol,’ sprak hij plechtig, ‘ik heb de plek gevonden waar mijn rijk moet ontstaan. Help mij alles te scheppen wat nodig is om verhalen tot leven te brengen. Al het moois. Al het levende. Al het magische.’

De rook begon opnieuw te bewegen. Sneller dit keer. Steeds sneller.

Abrin bracht de bol dichter naar zijn gezicht. Plotseling begon het glas fel op te lichten. Een prachtig, diepblauw licht stroomde eruit en vulde de lucht.

Als een golvende sluier hing het boven het veld.

‘Ik voel het,’ zei Abrin zacht. ‘De krachten stromen. Hiermee kan ik beginnen.’

Tekening van een oudere man met een lange baard, gekleed in een mantel, die een staf en een orb met blauwe energie vasthoudt terwijl hij lijkt te toveren, met bliksem en energie die uit de grond opvlammen.

Het blauwe licht zakte langzaam naar de grond. De rook verdween, alsof hij nooit had bestaan.

Abrin stopte de glazen bol weer veilig in zijn tas.

Toen hief hij beide handen omhoog. Zijn toverstaf kwam hoog boven zijn hoofd.

Aan het uiteinde, waar de staf splitste in dunne takken, verscheen een stralende blauwe lichtbol. Net zo blauw als de sluier die de hemel had gevuld.

Abrin greep de staf stevig vast en sloeg ermee op de grond.

BOEM!

De klap was zo krachtig dat hij achteruit moest stappen.

Vonken schoten meters ver weg. De aarde begon te trillen. Zo hevig zelfs, dat Abrin moeite had om overeind te blijven.

Met een oorverdovend gebulder spleet de grond voor hem open.

En daar… daar kwam een huis omhoog.

Een klein huis van grijze stenen, met mos tussen de kieren. Op het dak lag riet, met een schoorsteen die een beetje scheef stond. In het midden zat een houten deur, met aan weerszijden een raam, omlijst door sierlijk houtwerk.

Het huis was niet groot. Maar groot genoeg.

Warm. Droog. Precies goed.

Hier zou hij verblijven.

Tenminste, tot zijn belangrijkste werk gedaan was.

Abrin stapte naar binnen en zwaaide met zijn staf. Hij tekende soepele cirkels boven zijn hoofd.

Een tovenaar met lange grijze haren en baard, gekleed in een middeleeuws gewaad, houdt een staf omhoog waaraan magisch licht en elektrische stroom uitstralen in een stenen kamer met boekenplanken, een bed, en een kast.

Tafels verschenen, stoelen, een bed, potten en pannen, kasten vol boeken. Alles wat hij bezat – en alles wat hij nodig had – stond binnen enkele ogenblikken keurig op zijn plek.

De open haard laaide op. Vlammen vulden de ruimte met licht en warmte.

Abrin pakte de glazen bol weer en zette hem op een standaard naast de haard. Hij keek rond, tevreden.

Maar het was nog niet compleet.

Hij legde zijn hand op de bol, sloot zijn ogen en haalde diep adem.

‘O glazen bol,’ fluisterde hij, ‘laat mijn dierbaarste hier verschijnen. Laat haar vleugels door de wind snijden, en haar instinct haar naar mij leiden.’

Nog geen tien tellen later klonk er een krachtig gefladder.

Het raam vloog open.

Bladeren waaiden door de kamer.

Abrin draaide zich om.

En in het venster zat zij.

Een schitterende kerkuil, bijna een halve meter hoog. Haar buik en kop waren sneeuwwit, met kleine zwarte spikkels. Haar rug en vleugels glansden in zachte bronzen tinten.

‘Daar ben je, lieve Nocturn,’ zei Abrin glimlachend. ‘Wat fijn om je weer bij me te hebben. Samen gaan we dit rijk vormgeven. Samen gaan we verhalen maken.’

Met een soepele handbeweging liet hij in de hoek van de kamer een dikke tak uit de grond groeien.

Nocturn vloog er direct naartoe, en streek neer op het hoogste punt. Haar ogen sloten zich.

Ze bleef doodstil zitten, alsof ze op slag versteend was.

Abrin ging in de stoel bij de haard zitten.

Een boek zweefde uit de kast naar hem toe, sloeg open en bladerde vanzelf naar het midden.

Hij las, urenlang. Tot het buiten pikkedonker was en het vuur zachtjes begon te doven.

Toen de maan hoog stond en de sterren fonkelden, stond Abrin op.

Morgen was er nog genoeg te doen.

Een oude man met een lange baard leest een boek in een knusse kamer bij een open haard met een uil op een tak buiten het raam, onder een heldere, sterrenhemel.