II - NIEUW LANDSCHAP
Toen Abrin de volgende ochtend wakker werd, rekte hij zich uitgebreid uit.
Precies op dat moment zweefde Nocturn door het open raam naar binnen. Ze maakte een rondje vlak onder het plafond en liet een vrolijk, krassend lied horen, alsof ze haar nachtvlucht wilde navertellen. Daarna landde ze soepel op de tak en schudde haar veren tot ze weer netjes stonden.
Op de tafel straalde de glazen bol. Niet blauw dit keer, maar goudgeel. Het licht was warm en helder, als een kleine zon in huis.
Dit was de bron van Abrins magie. Ze waren met elkaar verbonden. Zonder de bol zou hij vandaag niets kunnen beginnen. Geen rijk. Geen bergen. Geen magie.
Maar eerst… ontbijt.
Met een zwiep van zijn linkerhand verscheen er eten op tafel. Broodjes met jam. Een schaal vol vers fruit. En een groot glas vruchtensap dat zo vol was dat het bijna overliep.
Abrin at langzaam en genoot van elke hap. Toen hij klaar was, zorgde een tweede handbeweging dat alle kruimels en het lege bord verdwenen.
Aan de andere kant van het huis klom de zon net boven de horizon uit.
Het licht viel naar binnen. Een perfecte start van een nieuwe dag.
Abrin pakte zijn staf en liep naar buiten.
Met de zon aan zijn linkerzijde keek hij recht vooruit. Heel ver weg zag hij golven die hoog opspatten en met geweld weer neerkletterden. Daar lag de grote oceaan. Die hoefde hij niet te veranderen. Het water moest blijven. Zijn rijk moest bereikbaar zijn, ook over zee.
Hij draaide langzaam rond.
Er moesten bergen komen. Maar niet overal. Dat zou onhandig zijn. Aan de kant waar de zon opkwam, moest het landschap laag blijven. Daar moest licht zijn. Warmte. En water voor prachtige zonsopkomsten.
Maar recht tegenover de zee… daar moesten bergen verrijzen. Gigantische bulten. Zo hoog dat ze de wolken zouden strelen.
Abrin hief zijn staf omhoog en greep hem met beide handen vast.
‘Laat de stenen reuzen rijzen,’ sprak hij, ‘aan de noordelijke en westelijke uiteinden van dit landschap. Zo hoog dat niemand ooit de top zal bereiken.’
Tussen de takken van de staf flitste groen en grijs licht.
Abrin sloeg de staf hard op de grond. De trilling schoot weg in twee richtingen: groen naar het westen, grijs naar het noorden.
Even gebeurde er niets.
Toen begon het.
De aarde rommelde. Trilde. In de verte bewogen stenen. Langzaam rezen de bergen omhoog.
In het westen kleurden ze groen van de bomen die hun flanken bedekten. In het noorden bleven ze kaal en grijs. Ze staken niet alleen door de wolken heen – ze gingen er ver bovenuit. De toppen waren bedekt met dikke lagen sneeuw.
Abrin knikte tevreden. Dit was goed.
Tijd voor het volgende.
Hij hief zijn staf opnieuw.
‘Laat de zee stromen langs de oostgrens,’ sprak hij. ‘Laat het water golven, kleuren in het licht van de opkomende zon en vloeien tot aan de bergen.’
Blauw licht schoot tussen de takken van de staf vandaan.
Toen hij hem opnieuw op de grond sloeg, verscheen er in de verte een enorme golf. Meer dan honderd meter hoog. De golf rolde langs de oostkant van het land en zakte vlak voor de bergketen in het noorden weer neer. In het opspattende water verscheen heel even een regenboog.
Nu had het landschap duidelijke grenzen. Zee aan de ene kant. Bergen aan de andere. Daartussen lag een glooiend grasland.
Maar er ontbrak nog iets.
Een rivier.
Water dat uit de bergen kwam en zich vertakte door het hele gebied. Als hier ooit mensen zouden wonen, moesten ze kunnen drinken en vissen.
Abrin wees met zijn staf naar de hoogste berg.
‘Laat het water stromen door dit landschap,’ zei hij, ‘als een kronkelende slang vanaf de grote reus in het noorden.’
De staf lichtte op in helderblauw.
Abrin draaide hem om en veegde ermee over het gras. Het licht schoot vooruit, richting de berg. Boven de top verscheen een enorme zwarte wolk.
Het begon keihard te regenen.
Minutenlang stortte het water naar beneden.
De wolk werd kleiner en kleiner, tot ze helemaal verdween.
Abrin wachtte.
Toen hoorde hij in de verte een diep gerommel.
Vlak bij zijn huis ontstond een kleine geul. Het water vulde hem tot aan de rand. Een beekje, afkomstig van een grotere rivier verderop.
Abrin volgde het water en kwam bij de brede stroom.
Het water bewoog rustig van links naar rechts, vanuit de bergen richting de zee. Maar ook dit was nog niet genoeg.
Hij hield de takken van zijn staf onder het wateroppervlak.
‘Laat het water zich vullen met vis,’ sprak hij. ‘En met alles wat nodig is om te overleven.’
Het water lichtte blauw op.
Toen het licht verdween, zag Abrin kleine vissen zwemmen. Af en toe schoot er een grotere tussendoor. Ze gleden langs waterplanten die uit de bodem omhoog groeiden.
Abrin keek om zich heen. Het landschap leefde.
Het was een goede dag geweest. Een vermoeiende dag ook. Zijn energie was bijna op. De zon stond al laag en verdween langzaam achter de bergen.
Het was tijd om naar huis te gaan.
Met een tevreden gevoel wandelde Abrin terug, klaar om de avond lezend door te brengen – precies zoals hij dat het liefste deed.