III - RAZENDE STORM

Nocturn kwam al krijsend van blijdschap door het open raam naar binnen gevlogen. Ze schudde haar kop heftig, waardoor koude waterdruppels door de kamer spatten. 

Abrin deed zijn ogen open toen hij ze op zijn gezicht voelde. 

Een nieuwe dag was aangebroken. Er was geen tijd om te blijven liggen. 

Met een vrolijke sprong stond hij naast zijn bed. Met een zwiep van zijn hand verscheen er een heerlijk ontbijt op tafel: warme pannenkoeken, stroop die langzaam naar beneden liep en een handvol blauwe bessen. 

Een man in een kapmantel staat op een heuvel en houdt een handvol stenen; op de achtergrond zijn bergen, een huis en een rivier te zien.

Terwijl Abrin at, knipte hij in zijn vingers. Meteen laaiden de vlammen in de haard op. 

Het was een stuk kouder dan gisteren. De zon zat vandaag verstopt achter suikerspinachtige, lichtgrijze wolken en gaf maar weinig warmte. 

Na het ontbijt maakte Abrin een lange wandeling. Hij volgde de rivier en liep richting de bergen. Daar klom hij een stuk omhoog om zijn rijk van bovenaf te bekijken. 

In het midden zag hij zijn huis staan. Te midden van al dat open land viel het veel te goed op. 

Kaal. Saai. En veel te zichtbaar. 

Dat moest anders. 

Rond het huis moest een groot bos komen. Vol bomen en planten. Een bos dat zijn huis volledig zou verbergen. Een bos dat zijn geheim nooit zou verraden. 

Abrin haalde de tas onder zijn mantel vandaan en begon kleine stenen te verzamelen op de berg. 

Hij bleef doorgaan tot de tas bomvol zat. Honderden steentjes. Het gewicht trok aan zijn schouder toen hij terugliep, maar dat maakte hem niets uit. 

Dit was voor een goed doel. 

Terug bij het huis kiepte hij de tas leeg. Een grote stapel steentjes belandde voor de deur. 

Nocturn verscheen in de opening en hield haar kop schuin. Ze bekeek de hoop aandachtig, alsof ze hoopte dat er ergens een muisje tussen zat. 

‘Helaas, lieve Nocturn,’ zei Abrin verontschuldigend. ‘Dit is niet voor jou. Nog niet tenminste. Maar straks kun jij heerlijk tussen de bomen vliegen.’ 

Nocturn kraste vrolijk en spreidde haar vleugels. Ze fladderde er enthousiast mee.

Een magiër met een staf werpt een betovering op een uil die op een schoorsteen zit, terwijl stenen en lichtdeeltjes door de lucht vliegen.

‘Even wachten nog, meisje,’ glimlachte Abrin. ‘Ik moet ze eerst betoveren. Dan worden het zaden.’ 

Hij tikte met de takken van zijn staf tegen de stapel stenen. Nocturn draaide haar kop, eerst naar links, toen naar rechts. 

‘Laat deze stenen zaden worden,’ sprak Abrin, ‘en laat zij samen een schitterend, eeuwig bos vormen rondom mijn huis.’

De staf lichtte op in bruin en groen. De steentjes deden hetzelfde. Langzaam stegen ze op, tot net boven het rieten dak. 

Abrin knikte naar Nocturn. 

De uil vloog naar de schoorsteen en ging op de rand zitten. Ze spreidde haar vleugels wijd en begon krachtig te wapperen. Een windvlaag ontstond, draaide om het huis en werd steeds sterker. De steentjes werden meegevoerd, cirkelden door de lucht en schoten daarna alle kanten op. 

Het regende lichtgevende steentjes. Als vallende sterren. 

Toen de laatste steen was verdwenen, stopte Nocturn met wapperen. De wind ging meteen liggen. Overal in de wijde omgeving waren de steentjes neergekomen en onder de grond verdwenen. 

Nocturn liet zich van het dak vallen en vloog terug naar binnen. Abrin keek haar trots na. 

Een oude man met een lang haar en baard zit bij een open haard, leest een boek. Buiten regent het en er is een uil met een pen op een tak bij het raam.

Hij hief zijn staf omhoog en draaide hem in grote cirkels boven zijn hoofd. 

‘Laat de regendruppels neerdalen als een waterval,’ sprak hij, ‘en laat het bos in de wijde omtrek tot bloei komen.’ 

Van alle kanten verschenen donkere wolken. Ze kwamen vanaf de bergen, vanaf de zee en trokken samen boven het land. 

Abrin besloot naar binnen te gaan. Voor vandaag had hij genoeg gedaan. 

Buiten begon de regen te kletteren. Op de grond. Tegen de stenen muren. Op het rieten dak. Urenlang kwam het water naar beneden, terwijl Abrin in de grote stoel bij de haard zat te lezen. 

Nocturn kraste een paar keer ontevreden en tikte met haar snavel tegen het hout. Ze wilde naar buiten, maar in deze stortbui was dat onmogelijk. 

‘Heb geduld, lieve Nocturn,’ zei Abrin zacht. ‘Het duurt niet lang meer. Dan kun jij ook genieten van het prachtige bos dat is gegroeid.’