IV - VERBODEN TOEGANG

Nocturn had zich vast ergens diep tussen het groen verstopt en was voorlopig niet van plan daar weg te gaan. 

Maar vandaag had Abrin haar nodig. 

Hij liep naar buiten en riep haar naam. 

‘Nocturn, kom eens bij me.’ 

Even bleef het stil. Toen klonk er geritsel. 

Hoog boven de boomtoppen verscheen de uil. Met krachtige slagen kwam ze aangevlogen. 

Abrin zwaaide met zijn hand en liet aan de boom tegenover de deur een kale tak verschijnen. 

Nocturn landde erop. 

‘Ik hoop dat je goed gegeten hebt vannacht,’ zei Abrin, ‘want ik heb een zware opdracht voor je.’ 

Het was deze keer niet Nocturn die Abrin wakker maakte. 

Het was de open haard. 

Zonder waarschuwing schoten de vlammen omhoog en vulden de kamer met warmte en licht. 

Abrin sloeg zijn ogen open en ging rechtop zitten. Nocturn zat niet op haar tak. Dat was vreemd. Ze was die nacht nog gaan vliegen toen het eindelijk droog was, maar sindsdien niet meer teruggekeerd. 

Toen Abrin uit bed stapte en naar het venster liep, begreep hij het meteen. 

Rondom het huis stond nu een groot, dicht bos. Overal glinsterden groene bladeren in het zonlicht. De bomen wiegden zachtjes in de wind. 

Een man in een gewaad kijkt naar een uil die in de lucht vliegt boven een bosrijke omgeving met bergen op de achtergrond, tijdens zonsopgang of zonsondergang.

Nocturn spitste haar kop. 

‘Vlieg door alle aangrenzende landen,’ vervolgde Abrin, ‘en ook door de landen daarachter. Vertel alle bosdieren en wezens van het woud dat zij hier welkom zijn. Niemand uitgezonderd.’ 

Nog voor hij was uitgesproken, spreidde Nocturn haar vleugels. Ze krijste luid en schoot weg. Binnen enkele tellen was ze verdwenen achter de bergen aan de horizon. 

Abrin pakte zijn staf en wandelde het bos in. Terwijl hij liep, liet hij een pad ontstaan dat vanaf zijn voordeur tussen de bomen door naar de open vlakte leidde. 

Langs het pad groeiden extra struiken en planten, vol vruchten. Bramen, aardbeien, frambozen, zwarte bessen, witte parels en nog veel meer. Voor ieder dier moest er voedsel zijn. 

Toen Abrin de vlakte bereikte, zag hij dat die niet meer zo leeg was als eerst. Sommige stenen waren verderop terechtgekomen en hadden daar ook bomen laten groeien. Verspreid over het landschap stonden nu losse bosjes. De rivier had zich na de regen uitgebreid en kleine beekjes slingerden zich door het gras. 

Het rijk begon echt tot leven te komen. 

In de verte bloeiden bloemen, spontaan gegroeid door de magische regen. Het was niet eens zijn bedoeling geweest, maar Abrin glimlachte tevreden. Er restten nog maar een paar laatste taken. 

Bij de rivier liet hij drie grote bruggen verschijnen. Eén van steen. Eén van hout. En één die leek te zijn gevormd uit de aarde zelf. Ze verschilden in vorm en grootte, maar waren allemaal hoog genoeg om een roeiboot onderdoor te laten varen. 

Aan de westkant van het rijk, bij het gebergte, toverde hij twee brede paden over de bergen heen en daarnaast twee tunnels dwars erdoorheen. Vier manieren om het rijk binnen te komen. Iedereen mocht zelf kiezen hoe. 

Bij de zee verschenen vier stevige steigers, klaar om schepen te ontvangen. 

Nu bleef er nog één ding over. 

In het noorden, bij het hoge gebergte, stond Abrin stil en keek omhoog naar de besneeuwde bergtop. 

Een persoon met een stok loopt op een bergpad door een besneeuwd bos, met een hoge besneeuwde berg en een zon die opkomt of ondergaat op de achtergrond.

Met een zwiep van zijn staf verschenen onderaan de berg houten borden. 

VERBODEN DE BERG TE BETREDEN 

Daaronder prijkte een doodshoofd met gekruiste botten. 

Abrin sloeg met de takken van zijn staf tegen de bergwand. Met luid gerommel verscheen er een lange, donkere tunnel. Het gedreun hield bijna een minuut aan. Vanaf waar Abrin stond, was niet te zien wat zich aan de andere kant bevond. 

Maar hij was nog niet klaar. 

Met een beweging van boven naar beneden liet hij een zwaar stalen hek neerdalen. Het sloot de tunnel volledig af. Alleen insecten konden nog tussen de spijlen door. 

Ook hier verscheen een bord: 

VERBODEN TOEGANG – GEVAARLIJKSTE VERHALEN 

Opnieuw het doodshoofd. Opnieuw de gekruiste botten. 

Tevreden keerde Abrin terug naar het bos. 

Zijn huis stond inmiddels diep verscholen tussen de bomen. De zon was al onder en het werd lastig om de weg te vinden. Het licht van zijn staf hielp hem vooruit en wierp lange, dansende schaduwen over de grond. 

Een persoon met een mantel en staf wandelt door een bos bij schemering, holding een fonkelende lichtbron.

Abrin bleef even staan. 

Die schaduwen brachten hem op een idee. 

Hij zwaaide met zijn staf, maar liet nog niets verschijnen. Dat was iets voor later. Iets voor toekomstige bezoekers. Iets om hen af te schrikken en ervoor te zorgen dat niemand ooit zijn huis zou vinden. 

Een geheim moest een geheim blijven. 

Binnen bereidde hij een feestmaal voor zichzelf. Op tafel stond een grote gebraden kip, met daarnaast een schaal salade. In zijn hand hield hij een flinke kelk rode wijn. Zijn werk zat er bijna op. Dat verdiende een beloning, vond hij zelf. 

Zeker op deze avond. 

De volle maan stond hoog aan de hemel, omringd door duizenden fonkelende sterren.