V - MAGISCHE LICHTGLANS

De volgende ochtend zat Nocturn alweer op haar tak in het huis. Ze wilde net een vrolijke krijs laten horen om Abrin wakker te maken, toen ze merkte dat zijn bed leeg was. Verbaasd draaide ze haar kop alle kanten op. Geen Abrin. 

Ze vloog naar het venster en keek naar buiten. 

Daar was hij. 

Op de open plek bij het huis probeerde Abrin wanhopig een bonte stoet dieren terug het bos in te krijgen. Vosjes, konijnen, egeltjes, eekhoorns en zelfs een hert met een indrukwekkend gewei liepen nieuwsgierig rond. Het kostte hem flink wat moeite om ze duidelijk te maken dat ze hier niet mochten blijven. 

Toen het hem eindelijk lukte, pakte Abrin zijn staf. Met een krachtige zwaai tekende hij een grote cirkel. 

Langs de rand van de open plek verscheen een hek, ruim anderhalve meter hoog, gevlochten van dunne twijgjes. Stevig genoeg om de dieren buiten te houden. Ze hadden hier niets te zoeken. In het bos was ruimte genoeg om te wonen en voedsel te vinden. 

Abrin toverde een afgezaagde boomstronk naast de deur en ging erop zitten. 

Hij luisterde. 

Het ritselen van bladeren. Het kraken van takken. Het tikken van een specht. In de verte het gejank van een wolf. En overal het getjilp van vogels. 

Het voelde… compleet. 

Vrijwel alles was nu aanwezig om het rijk te kunnen bewonen. 

Een oude man met een toverstaf omringd door dieren, waaronder een hert, koppelen, en andere bosdieren, voor een huis in een bos bij nacht, met een lichtgevende spoor van sterrenstof om hem heen.

Nu restte alleen nog de allerlaatste stap. Abrin stond op, pakte zijn staf en hief hem omhoog. 

‘Laat de boodschappers van Twiedel naar mij komen.’ 

Nocturn draaide verontwaardigd haar kop weg en liet een schelle krijs horen. Abrin glimlachte. 

‘Ach, meisje. Jij hebt geweldig werk gedaan. Maar nu is het tijd voor andere dieren.’ 

Nocturn was het er duidelijk niet mee eens en vloog terug naar binnen. 

Abrins aandacht ging alweer ergens anders naartoe. 

Vanuit alle richtingen daalden kleine blauwe vogeltjes neer op het twijgenhek. Honderden. Misschien wel meer. 

Abrin stapte naar voren, schraapte zijn keel en hief zijn staf, die blauw begon te gloeien. 

‘Mijn lieve Twiedeltjes,’ begon hij, ‘wat fijn dat jullie gekomen zijn. De tijd is aangebroken dat dit magische rijk bewoond gaat worden. Wezens uit alle windstreken zullen naar het Heautenrijk komen. Aan jullie de taak om dit bericht overal te verspreiden.’ 

De vogeltjes tjilpten luid en klapperden met hun vleugels. 

‘Vertel iedereen,’ ging Abrin verder, ‘dat elk levend wezen welkom is om hier te wonen en een gemeenschap te vormen. Maar er zijn regels.’ 

Het werd stil. 

‘Niemand mag deze cirkel binnen het twijgenhek betreden. Het bos zal hen misleiden en misschien wel voor altijd laten dwalen. Ook is het verboden de grote berg in het noorden te beklimmen of te betreden. Wie dat toch doet, brengt een einde aan zijn of haar magische verhaal.’ 

Een tovenaar met een staf die magisch licht uitstraalt, staat voor een cirkel van vogels die op een hek zitten, in een donkere, berijpte omgeving.

De Twiedeltjes luisterden aandachtig. 

‘En tot slot,’ zei Abrin, ‘wie zich hier vestigt, zal onderdeel worden van zijn eigen verhaal. De magie van dit rijk zal hen helpen. Ik zal over hen waken, vanuit mijn veilige haven in het bos.’ 

Hij liet zijn staf zakken. Het blauwe licht doofde. 

Meteen schoten de Twiedeltjes alle kanten op, tussen en boven de bomen door. Abrin keek hen na tot het laatste vogeltje verdwenen was. 

Toen draaide hij zich om. 

In het raam zat Nocturn toe te kijken, haar kop schuin. 

‘Het is tijd,’ zei Abrin zacht. ‘Het Heautenrijk zal gevuld worden. Wij hebben het vormgegeven. Nu mogen anderen hun verhalen schrijven.’ 

Honderden kleine lichtbolletjes, in alle kleuren die je maar kon bedenken, dwarrelden neer over het land. De magie verspreidde zich door het hele rijk. Even gloeide alles in wisselende tinten. 

Toen verdween het licht. 

De aarde trilde. Naast het huis schoot een enorme boom omhoog. Groter dan alle andere bomen. Zo groot dat zijn kruin de hele open plek bedekte. Met het dikste bladerdak van allemaal. 

Het laatste zicht op het huis verdween. 

Daarbinnen bleven Abrin en Nocturn. Verborgen voor de wereld. Maar nooit echt afwezig. 

Ze zouden altijd waken over het Heautenrijk. 

Van nu. 

Tot ver in de magische toekomst. 

Een grote boom met een huis eronder, omringd door een bos bij zonsondergang, met sterren die in de lucht fonkelen.

Nocturn vloog nog één rondje boven het huis en verdween toen naar binnen. Abrin liep naar de deur en tikte er drie keer tegen met de takken van zijn staf. 

Een donkere schaduw sloot zich rondom het huis. Mist begon te cirkelen tussen de bomen. Abrin keek tevreden en opende de deur. In de opening draaide hij zich nog één keer om. 

‘Welkom in het Heautenrijk,’ sprak hij. ‘Waar fantasie geen droom is, maar werkelijkheid.’ 

Met een klap viel de deur dicht. 

De mist zakte neer en maakte het huis onzichtbaar voor iedereen die door het bos zou dwalen. 

Vanaf het dak schoot een felle lichtstraal omhoog, tot hoog in de hemel. Daar spatte hij uiteen.